Doodstil

Doodstil

doodstil, stilHet is prachtig weer om zeilen. De picknickmand is gevuld, de kinderen maken de boot klaar. Vrouwtje Jas pakt haar badpak, haar bootschoenen en een warme trui voor de avond. Ze kijkt om zich heen of ze niets vergeten is. De telefoon gaat. Vrouwtje Jas twijfelt maar neemt op als ze ziet dat het een vriendin is die ze lang niet gezien heeft.

“Ik wil je zo graag nog eenmaal zien”, zegt Jantje. Ze praat zacht. Vrouwtje Jas zegt dat ze morgen of overmorgen wel kan komen.  “Kun je niet nu komen?”, vraagt Jantje. Weer twijfelt Vrouwtje Jas. Ze kijkt door het open raam, voelt de wind en denkt aan het vooruitzicht van varen. De woorden van Jantje resoneren in haar hoofd. Jantje is geen zeur. Jantje vraagt nooit hulp. Er zal iets aan de hand zijn. “Ik spring op de fiets!”, zegt Vrouwtje Jas.

Achterom

Op de deur hangt een vergeeld briefje, handgeschreven: Kom maar achterom.

Achterom, via de keuken. Het doet Vrouwtje Jas aan het keukentje van haar grootmoeder denken: granieten aanrecht, geruit tafelkleedje, theekopjes op een dienblad, gordijntje onder de gootsteen. Achter het gordijntje een afwasteiltje en de gasfles. Jantje leunt tegen het aanrecht en roert in een kommetje. Zo te zien is het geraspte appel. Als ze Vrouwtje Jas ziet, valt ze direct in haar armen. Een lang ogenblik hangt Jantje in stille omhelzing aan Vrouwtje Jas. Schokschouderend. Zwijgend gebrul.

Het is een ambivalente omhelzing. Zwaar van emotie en tegelijkertijd vederlicht. Jantje weegt niet veel meer. Het lichaam, gehuld in te wijde en te hippe kleren, is kwetsbaar voor de aanraking.

Doodstil

doodstil, stilZe nemen de thee mee naar het tuinhuisje, waar Jantje op de divan gaat liggen. Op het tafeltje ligt een opengeslagen tijdschrift. In de stilte werpt Vrouwtje Jas er een blik op. Er staat een artikel over Jantje in. Twee pagina’s glossy: over haar passie voor dansen, over haar fietsvakantie, over het zingen in het koor en over haar reizen.  Hoe ze op haar zeventigste naar Engeland ging om de taal te leren, als voorbereiding op haar reis naar Canada. Sprankelende foto’s.

Twee maanden na het interview ligt Jantje in haar tuinhuisje. Vrouwtje Jas zit bij haar. Ze zwijgen nog steeds. Jantje eet het geraspte appeltje met een theelepeltje. Hapje voor hapje, heel langzaam. Vrouwtje Jas ziet hoe de wespen er van mee-eten. Jantje lijkt ze niet te zien. Vrouwtje Jas is bang dat Jantje een hapje appel met wesp neemt en pakt het tijdschrift om de wespen zachtjes bij Jantje weg te leiden. Vrouwtje Jas hoort het vliegen van de wesp. Soms hoort ze de wind zachtjes blazen door de bladeren.

Omdat hij zo vriendelijk is

Ineens begint Jantje te praten. Ze vertelt over haar huisarts die zijn praktijk verkocht om als farmaceutisch onderzoeker te gaan werken (“jammer hoor, want het was een fijne arts”). In de overgangsfase vroeg hij of ze mee wilde werken aan een onderzoek. Dat wilde Jantje wel, het was tenslotte een vriendelijke man. Halverwege het onderzoek belde de arts Jantje op. Hij maakte zich zorgen. Jantje zou een hartafwijking hebben waarvoor ze dringend medicijnen moest gaan slikken.

Dat werd Jantje wat te gek. Ze was altijd kerngezond geweest. Als huisarts heeft hij dat vaak genoeg benadrukt. En nu werkt hij voor de ‘medicijnenwereld’ en nu zou ze ineens niet zonder medicijnen kunnen leven? Wat een waanzin! Ze heeft afscheid genomen van hem, van zijn onderzoek en van zijn medicijnen.

Gedanst!

doodstil, stil, dansHet onderzoek is tien jaar geleden. Tien jaar waarin Jantje gedanst heeft. Gefietst, gereisd, gezongen, gevreeën, gelachen. Vier weken geleden kreeg ze een beetje pijn op haar borst. Ze dacht: “toch maar even naar laten kijken. Het zou vervelend zijn als ik tijdens mijn fietsvakantie in Groot-Brittannië naar een arts moet.”

De doktersassistente had moeite om een plekje in de agenda te vinden. In de agenda van Jantje, wel te verstaan. “Doe maar op donderdagochtend vroeg”, zei Jantje. “Dan kan ik daarna doorrijden naar de sauna.”

Jantje is nooit in de sauna gekomen. De arts liet een ambulance voorrijden. Die donderdag, nu vier weken geleden, rook Jantje niet de geur van eucalyptus of munt. Ze rook Dettol op de Spoedeisende Hulp en de geur van ziekte op de zaal.

Jantje zwijgt, een traantje kruipt over haar wang. Vrouwtje Jas zwijgt. Haar traantje kruipt naar binnen.

Ze weten beiden dat dit de laatste keer is. De stilte klopt.

doodstil, stil

Leestip:

Deze post heeft 7 reacties

  1. Ach wat een mooi maar zielig verhaal. Het had van mij veel langer mogen duren,

    1. Begrijpelijk en waar! Maar er viel niets meer te zeggen. De stilte had het woord….

  2. ontroerend maar ook best triest.

    Complimenten voor de leuke foto’s die je verhalen opluisteren.

Geef een reactie

×