Zielsverwant

Zielsverwant

‘Meneer van Denderen was onrustig vanmiddag. Meneer rukte aan de deur en riep om zijn vrouw’, leest Lisa in  het overdrachtsrapport. 

Zielsverwant Ach, die meneer van Denderen toch. Lisa werkt hier nu bijna een jaar en meneer van Denderen is stiekem haar favoriete bewoner. Hij is eigenlijk nooit lastig. Nou ja, hij zegt drie keer per uur hetzelfde, maar dat doet bijna iedereen hier. Als meneer van Denderen opstaat en naar de deur loopt, weet Lisa al wat hij gaat zeggen: “Ik wil met de auto weg, maar ik kan de sleutel niet vinden.” Lisa en haar collega’s zeggen dan altijd iets geruststellends. Dat zijn zoon de auto even mee heeft of dat de auto bij de garage is. Dan is hij weer op zijn gemak. Twintig minuten ongeveer.

Rustige overdracht

Lisa neemt in alle rust de rest van het overdrachtsrapport door. Mevrouw de Graaf is weer opgenomen in het ziekenhuis met hartritmestoornissen. Arme mevrouw de Graaf; dit is de tweede keer in één maand. Verder: de inco’s zijn niet geleverd, er is nog voor één dag voorraad. Over voorraad gesproken: Lisa zal de nachtdienst benutten door de boodschappen online te bestellen. Dan hoeven haar collega’s dat morgenochtend niet meer te doen. Lisa loopt een rondje over de afdeling. Het is rustig, iedereen slaapt. Ze kijkt even in de kamer van meneer van Denderen. Ook hij is in diepe rust.

Inbraak

ZielsverwantDe uren glijden voorbij. Rond half drie hoort Lisa ineens lawaai. Een doffe bons, gevolgd door het geluid van brekend glas. Geluiden van vernieling. Of  van verwoesting. Inbraak? Het alarm gaat. Lisa belt, volgens protocol, haar collega van een andere afdeling. Die is er snel. Op de gang gaan deuren open. Bewoners zijn wakker geworden en vragen wat er gebeurd is. Lisa en haar collega weten het niet.

Mevrouw Klaassen holt gillend de gang op. Ze trekt nerveus aan haar nachthemd; de knopen springen er vanaf. Het nachthemd glijdt van haar lichaam. Ze struikelt er bijna over en grijpt zich vast aan de leuning. Daar staat ze: bloot, op haar grote luier na. Het nachthemd op de enkels. Van alle afdelingen komen collega’s. Iemand waarschuwt de achterwacht. De bewaking arriveert. Terwijl de begeleiders de bewoners in de huiskamer verzamelen, controleren de bewakers de kamers. Op kamer 4 is de ruit kapot. De bewaker komt vragen welke bewoner op kamer 4 woont. Het is de kamer van meneer van Denderen. Lisa kijkt rond. Meneer van Denderen is niet hier.

Groot alarm

Een collega belt naar alle afdelingen met de vraag of meneer van Denderen daar misschien naartoe gelopen is. Een andere collega slaat groot alarm. Politie en management zijn snel ter plekke. Ieder kent zijn taak. Lisa en een collega zetten thee voor de bewoners in de huiskamer. De deur van de kamer gaat dicht, Lisa zet een muziekje aan. De bewoners zijn het besef van tijd al heel lang kwijt. Vaak is dat lastig, maar nu komt het goed uit. Lisa zet het ontbijtritueel in gang, zodat dit incident het begin van een gewone dag lijkt. De bewoners worden er rustig van. De manager coördineert de acties van de politie en van het personeel. Hij belt naar de eerste contactpersoon: de dochter van meneer van Denderen. Geen gehoor. Ook bij de zoon van meneer van Denderen wordt de telefoon niet opgenomen.

De tijd verstrijkt, de zoektocht verloopt ordelijk en efficiënt. Helaas zonder resultaat: meneer van Denderen wordt niet gevonden.

Gevonden?

Rond vijf uur in de ochtend gaat de telefoon op de centrale meldkamer van de hulpdiensten. Het zijn de oude buren van meneer van Denderen. Meneer van Denderen staat bij zijn woonhuis. Hij belt en schreeuwt dat hij naar binnen wil. Niemand doet open. Mevrouw van Denderen is al een paar dagen niet thuis. De buren weten ook niet waar ze is. Misschien logeert ze bij haar dochter? Dat doet ze vaker nu meneer van Denderen niet meer thuis woont.

Zielsverwant

Terwijl de buurvrouw met de politie telefoneert, gaat de buurman naar meneer van Denderen toe. Hij is net wat te laat: meneer van Denderen heeft het raampje van zijn voordeur ingeslagen. Zijn arm is bebloed, maar hij heeft de deur kunnen openen. Als de buurman aankomt, is meneer van Denderen al boven. Hij zit op zijn knieën voor het lege bed. Zijn hoofd ligt op de dekens, zijn schouders schokken. De buurman gaat naast hem zitten en slaat zijn arm om hem heen. “Ik ben te laat”, fluistert hij wenend. “Te laat. Ze is er niet meer. Te laat…” 

De buurman spreekt kalmerende woorden: Uw vrouw is uit logeren. Ze is bij uw dochter.” Meneer van Denderen slaat wild om zich heen en vloekt de longen uit zijn lijf: “Hou je bek Go@#%)#omme, hou je bek.”

De buurman wordt er bang van: zo kent hij meneer van Denderen niet. Een paar minuten later stapt de politie de slaapkamer binnen. Samen weten ze meneer van Denderen te overtuigen om in de auto te stappen. De buurman blijft verbouwereerd achter. Hij gaat naar zijn schuur, pakt een stukje hout en timmert het voor het kapotgeslagen ruitje.

Hoe is dit mogelijk?

ZielsverwantTerwijl meneer van Denderen in de politieauto zit, krijgt de manager van het verzorgingshuis eindelijk de dochter aan de telefoon. Hij vertelt dat haar vader weggelopen is en teruggevonden werd bij hun oude huis. De dochter is even stil, dan begint ze heel hard te huilen. Hij stelt haar gerust: “Maakt u zich geen zorgen, we hebben hem gevonden. Uw vader is onderweg naar hier. Hij maakt het goed, maar is erg in de war. Bent u in de gelegenheid om hier naartoe te komen?” Hij krijgt geen antwoord en luistert geduldig naar het gerommel aan de andere kant van de lijn.

“Met Anton van Denderen,” hoort de manager ineens. “Ik ben samen met mijn zus in het ziekenhuis. Ons moeder is zojuist overleden. We zullen zo snel mogelijk komen.”

Zielsverwant

 

Deze post heeft een reactie

Geef een reactie

×